//
you're reading...
Articles

My article in de Volkskrant about my book

Derksen, Deedee, Thee met de taliban, Volkskrant, 12 oktober 2010 deel 1Derksen, Deedee, Thee met de Taliban, Volkskrant, 12 oktober 2010 deel 2

‘Dus je boek heet Thee met de Taliban, Oorlogsverslaggeving voor Beginners?’, vraagt de radiopresentator.

‘Dat klopt’, zeg ik.

‘Betekent die titel dat je inderdaad thee hebt gedronken met de Taliban?’

‘Ja.’

‘Hoe was dat?’

‘Nou, ik had verwacht monsters te treffen, een soort duivels, maar eigenlijk…’

‘Maar ze zijn toch ook verschrikkelijk? Ze stenigen vrouwen en onthoofden mensen!’

Dit is de gangbare reactie in Nederland als het gaat over de Taliban. Taliban leggen bermbommen neer, snijden kiezers de neus af en stenigen vrouwen. Dat klopt allemaal. Het is niet verwonderlijk dat een beweging die vrouwen zo nadrukkelijk uitsluit uit het openbare leven en er niet voor terugdeinst mensen hun ledematen af te hakken een slechte pers krijgt in het Westen.

Maar door de Taliban als de belangrijkste boosdoeners in Afghanistan af te schilderen, is de aandacht jarenlang afgeleid geweest van het grootste gevaar voor stabiliteit in Afghanistan. Dat is een slecht bestuur, geïnstalleerd door onze eigen regeringen. De laatste jaren schrijven westerse media er steeds meer over. We wijzen met de vinger naar Washington, Londen, en Den Haag, en terecht. Maar wat is eigenlijk onze eigen rol geweest in de verkeerde beeldvorming?

In 2008 werd ik voor de Volkskrant en voor NOVA als correspondent in Kabul gestationeerd. Het was een unieke kans om een ander verhaal te vertellen dan dat wat de persvoorlichters van het ministerie van Defensie ons in Nederland probeerden voor te schotelen. Om het conflict van alle kanten te bekijken. Om ook eens Talibanstrijders te spreken.

Een soort buitenaardse wezen waren het als ik de persvoorlichters moest geloven, die snel terug naar hun eigen planeet moesten worden geschopt. Het ging ook in mijn verhalen over ‘strijders die zich in de dorpen begeven’; over een mysterieuze externe kracht dus, die je ook weer uit die dorpen kon laten begeven. Dat was in mijn ogen de taak van de internationale troepenmacht de International Security Assistance Force (ISAF): om de Afghaanse overheid te helpen het land op te bouwen en de Taliban te verjagen.

Eerlijk is eerlijk, ik zag hen als de vijand. Omgekeerd gold hetzelfde. ‘Ben je bang?’, brulde een Talibancommandant door de telefoon toen mijn tolk, chauffeur en ik voor zijn strijders op de vlucht waren in Logar, een provincie onder Kabul. Hij vond het erg grappig, maar ik stond doodsangsten uit, terwijl we in een noodgang naar Kabul raceten in onze Toyoto Corrolla met nummerbord 3191 KBL, zoals alle Talibanstrijders in de provincie inmiddels wisten.

‘Nee hoor, alles goed hier’, antwoordde ik de commandant in mijn beste Dari, terwijl ik paniekerig door het blauwe gaas van mijn boerka tuurde, op zoek naar een teken van de gevreesde talibanstrijders met kalasjnikovs op de weg. Nadat we Kabul binnen waren gereden verkeerde ik drie dagen lang in een euforische stemming, vanwege het simpele feit dat ik nog leefde.

Een paar maanden later ging dezelfde tolk op pad met New York Times –verslaggever David Rohde. Zij hadden een afspraak met een Talibancommandant. Hij ontvoerde hen. Na zeven maanden gijzeling wisten ze in juni 2009 te ontsnappen. Rohde was niet de eerste en ook niet de laatste journalist die werd ontvoerd in Afghanistan. Ook werden twaalf buitenlandse journalisten gedood, van wie sommigen door gerichte aanvallen.

Vroeger werden oorlogscorrespondenten per ongeluk geraakt in iemand anders z’n oorlog, maar tegenwoordig zijn ze een gericht doelwit van ontvoering en executie, schreef de Britse journalist Martin Bell, die elf oorlogen heeft verslagen, in 2008 in The Guardian.  Dit leidt ertoe dat steeds meer kranten en televiestations zich terugtrekken in zogeheten green zones, gaat Bell verder, of alleen nog ‘embedded’ reizen: met ‘eigen’ militairen.

Iedere westerse journalist in Afghanistan kent die valkuil, en gelukkig lopen ook velen er met een boog omheen. Toch blijft het heel moeilijk om de oorlog vanuit alle gezichtspunten te verslaan. Te veel van onze informatie komt van een kant in het conflict: van Nederlandse kolonels, Franse ontwikkelingswerkers,  Britse diplomaten, Afghanen die twintig jaar in de Verenigde Staten hebben doorgebracht en slachtoffers van de Taliban. De Taliban blijven mysterieuze outsiders, barbaren.

Doodsbang voor hun mogelijke beschietingen rende ik met Amerikaanse militairen door de ‘Vallei van de Dood’ bij de grens met Pakistan. Een zekere haji Matin en zijn mannen namen de Amerikanen telkens weer onder vuur vanuit de stenen huisjes in de beboste bergflanken. Zij waren de Taliban, de bad guys, de slechteriken. Inderdaad was haji Matin overtuigd wahhabist, een aanhanger van een zeer strikte interpretatie van de islam. Maar haji Matin was vooral pisnijdig omdat de Amerikanen zijn huis hadden gebombardeerd. Zijn rivaal in de houthandel had hem heel slim aangewezen als Taliban.

Tijdens mijn reizen door Afghanistan hoorde ik steeds meer over die andere kant. Mijn beeld van de oorlog en de rol van de verschillende partijen erin draaide. Ik hoorde dat ISAF-bombardementen op huizen van onschuldige mensen veel bewoners in de armen van de Taliban dreven. Deze acties kwamen bovenop een ander, dieper liggend probleem: de roofzuchtige aard van het lokale bestuur.

Ik ontmoette corrupte en criminele bestuurders in Ghazni, Wardak, Helmand en Kandahar – provincies die de ruggegraat vormen van de Talibanopstand. Hetzelfde gold voor Uruzgan, waar de Nederlanders 1600 militaren heen zonden. De belangrijkste vertegenwoordigers van de regering-Karzai waren daar krijgsheren Jan Mohammad en zijn neef Matiullah; de eerste was de gouverneur, de tweede de highway commander op de weg van Kandahar naar Tarin Kowt.Van beiden was er het vermoeden in Washington, Den Haag en Canberra, de regeringen die troepen leverden in Uruzgan, dat ze diep verwikkeld waren in een grootschalige drugshandel. Het drugsnetwerk zou worden aangevoerd door onder andere Karzais halfbroer Ahmed Wali Karzai, de voorzitter van de provinciale raad in Kandahar.

Beide krijgsheren vervolgden bovendien hun persoonlijke rivalen op wrede wijze, onder de noemer van de jacht op de Taliban. In sommige gevallen waren het geen Taliban, in andere gevallen wel. Veel Taliban hadden in 2001 echter de wapens neergelegd en waren naar huis gegaan, in afwachting van een overeenkomst met het nieuwe regime. In plaats daarvan werd een van de Talibancommandanten doodgeschoten en opgehangen op de bazaar in Tarin Kowt. Ook anderen werden hardhandig aangepakt. De onnodige wreedheid van het nieuwe bestuur was, net als elders in Afghanistan, de belangrijkste reden voor het oplaaien van het gewapende verzet in Uruzgan.

Jan Mohammad en Matiullah waren vrijwel onaantastbaar, omdat ze de hartelijke steun kregen van de regering-Karzai in Kabul en van de Amerikaanse Special Forces die in Uruzgan opereerden. Jan Mohammad vertrok weliswaar als gouverneur in 2006 op last van Nederland, maar hij bleef invloed uitoefenen op de benoemingen van de gouverneur, districtchefs en politiecommandanten. Matiullah, die een leger van 1500 man had opgebouwd, wisten de Nederlanders helemaal niet weg te krijgen. Terwijl ze voor de beveiliging van hun konvooien afhankelijk waren van zijn mannen, deden ze voor de buitenwereld alsof ze niks met hem te maken hadden. Wij praten niet met Mr. M. werd gefluisterd in Kamp Holland.

Nederland kwam in een onmogelijke positie terecht. Het was de leden van het militair-civiele opbouwteam in Kamp Holland duidelijk dat Jan Mohammad en Matiullah schade aanrichtten in Uruzgan, maar ze konden hen niet wegkrijgen. Ze probeerden wel buitengesloten groepen vriendelijker te stemmen ten opzichte van het lokale bestuur en ISAF. Ze steunden andere krijgsheren (elk westers land heeft zijn favoriete krijgsheren in Afghanistan) en moedigden ook de gouverneur aan om met Taliban te praten. ‘De Nederlanders waren als engelen’, zegt de invloedrijke dr. Abdul Baqi die veel Taliban in de streek Deh Rashan kent. ‘Ze wilden altijd weten wat de Taliban van hen wilden.’

De Nederlanders zagen kennelijk in dat de Taliban in Uruzgan vooral ontevreden dorpsoudsten waren en niet in de eerste plaats ideologisch geïnspireerde terroristen. Dit beeld correspondeerde echter niet met het beleid van de bondgenoten van wie Nederland afhankelijk was. Jan Mohammad en Matiullah bleven namelijk volop gesteund door de regering-Karzai, de Australische militairen en de Amerikaanse Special Forces. ‘Matiullah is een uitstekend leider’, kreeg ik te horen van een Amerikaanse Special Forces-commandant, toen ik een week met hem optrok.

Kennelijk waren de Nederlanders aan de kant van de verkeerde bondgenoten een oorlog tegen de verkeerde mensen ingegaan. Had Den Haag vooraf niet goed genoeg gekeken naar de lokale situatie en de rol die de Amerikaanse militairen en hun Afghaanse bondgenoten daarin speelden? Of was Den Haag volledig op de hoogte van de mission impossible en besloot de regering toch troepen te sturen, omdat het eerder ging om het bondgenootschap met de Amerikanen dan om het lot van de Afghanen? Beide scenario’s lijken mij reden tot een diepgaand zelfonderzoek.

In de loop van mijn correspondentschap lukte het me gelukkig steeds beter om telefonisch niet alleen officiële Talibanwoordvoerders te interviewen die propaganda spuiden, maar ook gewone Talibancommandanten. Deze contacten bleven in stand nadat ik in mei 2009 uit Afghanistan vertrok. Zo hoorde ik dat sommige Talibanstrijders zelfs teleurgesteld waren toen het Nederlandse kabinet in februari 2010 viel over de vraag of de missie in Uruzgan moest worden voortgezet. ‘Wij vinden het erg jammer dat ze weggaan’ zei mullah Farouq uit Mirabad, ten oosten van Tarin Kowt. ‘Veel liever hadden we gezien dat de Australiërs of de Amerikanen waren vertrokken.’

Theedrinken met de Taliban is ook gelukt. Met een veteraan die al 25 jaar vocht, met een maker van zelfmoordvesten uit Uruzgan, met een zelfmoordaanslagpleger. Het waren haastige koppen thee, en het waren er niet zoveel als met andere Afghanen, of met westerse diplomaten, ontwikkelingswerkers, militairen en persvoorlichters. Thee met de persvoorlichters had ik mijn boek dus ook kunnen noemen.

Toch is het Thee met de Taliban geworden en niet alleen omdat het lekkerder bekt. Zij hebben me waardevolle inzichten gegeven in de werkelijke aard van het conflict en hun rol daarin. Zeker, ze bedienen zich van zelfmoordaanslagen om de westerlingen weg te krijgen en velen willen vrouwen weer aan het zicht onttrekken. Hopelijk komen de hardliners straks niet in een regering. Maar in  Nederland moeten we niet vergeten dat zij niet de enige religieuze extremisten of geweldplegers zijn in Afghanistan. Dat zijn er, als gevolg van dertig jaar oorlog, nog veel meer. Ze zitten ook in de regering, in het parlement, in provinciale besturen. Met dank, onder anderen, aan het Westen.

Advertisements

About deedeederksen

Deedee Derksen is writing a book on reporting in Afghanistan, after having been based in Kabul as the correspondent for the Dutch newspaper de Volkskrant. She also supports local media in Afghanistan. She lives in Brussels.

Discussion

No comments yet.

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s

%d bloggers like this: